In de eerste editie van Typisch Obimex als magazine spraken we met afbouwers over de toekomst. Over innovatie, de energietransitie en het doorslaggevende karakter van het bedrag onder aan de streep. Waar liggen de kansen en uitdagingen in een markt die zowel traditioneel als vernieuwend is? Vijf jaar later maken we opnieuw de balans op. Dezelfde stellingen, andere bouwers. Elk vanuit hun eigen perspectief. Een gesprek met ‘Generatie Y’ over bijsturen, luchtkastelen en samen bouwen.
Even kennis maken met de afbouwers:
Manon van de Kerkhof.
Met een vader als afbouwer pur sang, groeide Manon van de Kerkhof (39) helemaal op in de materie. Om zichzelf uit te dagen, werkte ze na haar opleiding eerst een aantal jaar in het bankwezen. Al snel ging zij terug naar de afbouw. ‘Als het bouwvirus je eenmaal te pakken heeft, kom je er niet meer vanaf’. Volgens Manon is de afbouw een ons-kent-ons wereld, altijd in beweging en uitdagend. ‘Ik geloof er sterk in een verbinder te zijn. Iets voor elkaar over hebben, daar heb je uiteindelijk het meeste profijt van.’ Sinds 2010 werkt Manon bij de SRBA Group - Smart Reliable Building Achievements, toen nog opererend onder de naam Muller Complete Afbouw. Vandaag de dag is ze bedrijfsleider van de divisie SRBA Modules en sinds kort verantwoordelijk voor de inkoop van de Construction tak van de SRBA Group. ‘Met SRBA Modules maken we constructieve oplossingen voor de droge afbouw.’ Als vrouw in de bouw trekt ze net zo makkelijk zelf de stalen neuzen aan. ‘De machines heb ik zelf ingesteld toen ik bij mijn vader werkte. Ik vond dat reuze interessant en daardoor weet ik nu wel precies hoe alles werkt.’
Jacco Eldering
Duidelijker dan bij Jacco Eldering (36) - mede eigenaar van Bosma Plafonds en Wanden uit Drachten, wordt het niet. Zijn vriendin kreeg al snel te horen: ‘Ik ben ondernemer, dit is mijn leven en als je dat niet leuk vindt dan kun je het maar beter meteen zeggen.’ Als alles goed gaat, daar leer je niks van volgens Jacco. Met zijn voeten in de klei is hij doorgegroeid in de bedrijfsvoering en sinds drie jaar mede-eigenaar van een bedrijf dat meer doet dan afbouw. De kunst is de kwaliteit van de mensen hoog te houden: ‘Investeren in opleiding en kennis, innoveren in werkwijze vanuit de overtuiging dat het bedrijf met goede handen wel doordraait.’ Naar eigen zeggen kwam Jacco op het juiste moment en vol enthousiasme bij Bosma terecht. ‘Ik ben begonnen met 1 dag in de week vrijwillig te werken.’ Een bewuste stap die uitgroeide tot een plan om het bedrijf uiteindelijk volledig over te nemen.
Paul Strijbis
Geluk bij een ongeluk. Zo noemt hij zijn enkelblessure waardoor hij op kantoor terecht kwam in het afbouwbedrijf van zijn vader Peter en compagnon. Paul Strijbis (34) - eigenaar van Punt Systeembouw uit Heerhugowaard - ruilde zijn ambitie om automonteur te worden definitief in voor de afbouw. ‘Na een eerdere snuffelstage wist ik het zeker. Op mijn twaalfde werkte ik al in het magazijn bij mijn vader en rolde al snel door naar het montagewerk’. Paul volgde Bouwkunde aan de MTS en behaalde zijn aannemersdiploma. ‘In die tijd heb ik veel geleerd en een goede band opgebouwd met de jongens’. De stap naar projectbegeleiding en uitvoering is een logische voor Paul. ‘Vorig jaar was echt ons transformatiejaar. We kregen er een nieuwe uitvoerder bij en het kantoor is grondig verbouwd.’ Het werk wordt verzet door circa 60 medewerkers buiten, een flexibele schil en 10 man op kantoor. Vader en zoon vullen elkaar goed aan. ‘Mijn vader heeft het bedrijf in ruim 25 jaar gevormd tot het professionele afbouwbedrijf dat het nu is. Mijn rol is om die stevige basis verder uit te bouwen richting de toekomst.’

Stelling 1: Alleen innovatieve afbouwbedrijven hebben de toekomst.
Voor Jacco Eldering is ondernemen onlosmakelijk verbonden met doen. Innovatie ziet hij als belangrijk, maar zeker niet als het enige fundament onder de toekomst van de sector. ‘We kunnen de economie niet alleen op innovatie laten draaien,’ is zijn nuchtere kijk. Volgens hem zijn juist ook de traditionele afbouwbedrijven nodig die de stapel met werk wegzetten en de productie draaiende houden. Waar grotere partijen ruimte hebben om te onderzoeken en innoveren, ligt bij andere bedrijven de focus op uitvoeren. Innovatie komt in die gevallen vaak via leveranciers, bijvoorbeeld bij de verduurzaming van een systeemwand. Voor Jacco zit de kracht dan ook in mensen: investeren in kennis en vakmanschap, zodat het bedrijf blijft draaien - ook zonder voortdurend voorop te lopen. Paul Strijbis kijkt daar met een iets andere blik naar. Opgegroeid in het familiebedrijf ervaart hij dat stilstand achteruitgang is. Tegelijkertijd laat zijn dagelijkse praktijk zien dat innoveren met spanning gepaard gaat. Bij een groot hotelproject met honderden kamers koos hij ervoor om te werken met voorgebogen gipsconstructies. Een uitdagende keuze die de nodige slapeloze nachten met zich meebracht. Door een proefopstelling te maken en de klant daarin mee te nemen, wist hij het plan toch gerealiseerd te krijgen. Ook raakte hij overtuigd van het gebruik van prefab houten schenkels, waarmee je hout kunt afstellen om fouten te beperken en efficiënter te werken. ‘We hebben op het proces gereflecteerd en bijgestuurd.’ Voor Paul hoort dat erbij. Innovatie betekent proberen, leren en verbeteren. Nieuwe technologieën zoals AI ziet hij als kans, bijvoorbeeld bij het verwerken van aanvragen, maar hij blijft kritisch: vakkennis en gevoel voor het werk blijven leidend.
Manon van de Kerkhof sluit zich deels bij beide perspectieven aan. Als verbinder binnen SRBA Modules ziet zij innovatie vooral als iets dat functioneel moet zijn. Noodzakelijk, maar het moet nooit een doel op zich worden. Niet vernieuwen om het vernieuwen, maar verbeteren waar het nodig is. In haar werk ligt de nadruk onder andere op prefab oplossingen, waarbij complexe onderdelen in de werkplaats worden voorbereid. Een project zoals het AFAS Experience Center in Leusden, met honderden unieke details in het koofwerk, illustreert dat. Door alles vooraf uit te werken en prefab in de werkplaats te produceren, hoefde er op de bouwplaats alleen nog gemonteerd te worden. ‘Dat bespaart enorm veel tijd, voorkomt fouten en geeft veel voldoening wanneer alles precies past.’ Tegelijkertijd signaleert Manon dat kennis op de werkvloer onder druk staat. Architecten ontwerpen steeds uitdagender, terwijl de praktijk het mag uitvoeren.
Juist daarom pleit zij ervoor de afbouwer én fabrikant vaker steeds vroeger te betrekken. Daarnaast kennis te borgen door mensen te blijven uitdagen zelf na te denken, ook in een tijd waarin AI een steeds grotere rol speelt. Deze visies laten zien dat innovatie belangrijk is, maar niet op zichzelf staat. Het gaat er om productinnovaties toe te voegen die het werk slimmer en sneller maken en aan de voorkant goed te bekijken of het een werk is waar dat goed uitpakt. De toekomst ligt niet alleen bij de koplopers, maar juist bij bedrijven die weten wanneer ze moeten innoveren en wanneer te vertrouwen op hun kracht.

Stelling 2: In 2030 is Nederland volop aan het bouwen met circulaire producten.
De ambitie is helder: in 2030 moet circulair bouwen voor 50% de norm zijn. Maar wie de praktijk van de afbouwsector erbij pakt, ziet dat die werkelijkheid nog niet zo eenvoudig is. Manon herkent de ambitie, maar ziet vooral de uitdagingen. Vanuit haar rol is zij al intensief bezig geweest met circulaire processen en weet hoe complex ze zijn. Ze noemt een traject waarbij gipsplaten zorgvuldig uit constructies worden gehaald, vervoerd, op maatvoering worden terug gesneden en vervolgens weer worden toegepast. ‘Het is ontzettend arbeidsintensief, legt ze uit. En dus ook kostbaar.
Daarnaast is er de administratieve druk. Registreren, certificeren, vastleggen. ‘Het komt er allemaal bij en het is niet zo dat je daarmee meer werk verzet.’ Volgens Manon is de keuze in de praktijk dan ook vaak nog simpel: prijs bepaalt. Zolang circulaire oplossingen duurder zijn dan nieuwe materialen, blijft de vraag beperkt. Ze ziet dan ook meer kansen in renovatieprojecten, waarbij materialen ter plekke worden geoogst en hergebruikt. ‘Hier zie ik meer in dan in het grootschalig afzetten van circulaire producten aan nieuwe klanten.’
Bij Jacco begint het besef door te dringen. ‘Iedereen wordt ermee geconfronteerd en anno nu moet je er zeker mee aan de slag,’ zo stelt hij. Toch merkt hij dat de vraag vanuit de markt nog achterblijft. Zijn bedrijf is er nog niet intensief mee bezig, simpelweg omdat aanvragen vaak nog traditioneel worden ingestoken. Volgens Jacco liggen de eerste kansen juist in kleine, praktische stappen, zoals standaardisatie in hoogtes bij de glazen wanden. Dat maakt hergebruik in de toekomst eenvoudiger.
Echt circulair werken, materialen demonteren en opnieuw toepassen, komt hij in de praktijk dan ook nog nauwelijks tegen. Niet alleen vanwege de kosten, maar ook door een gebrek aan capaciteit. ‘Je hebt er simpelweg de handjes niet voor,’ zegt hij. Circulair bouwen vraagt om een totaal andere werkwijze en manier van denken. Monteurs, werkvoorbereiders en directie moeten allemaal dezelfde pet op hebben. Volgens Jacco kunnen vakmensen dat prima, maar alleen als er duidelijke keuzes worden gemaakt. Zolang circulair bouwen duurder is dan nieuw, blijft het lastig om die keuze commercieel te verantwoorden. Hij verwacht dat overheidssturing nodig is om echt verschil te maken. De doelstellingen voor 2030 noemt hij ambitieus: ‘In de praktijk voelt het soms nog als een luchtkasteel, die meer de uitzondering dan de regel is.’
Ook Paul plaatst kanttekeningen bij het ideaalbeeld. Hij ziet zeker kansen, maar waarschuwt dat men de circulaire gedachte soms te rooskleurig presenteert. Eerlijk: ‘We houden onszelf ook een beetje voor de gek. ‘Circulariteit klinkt goed, maar in de praktijk brengt het vaak extra transportbewegingen met zich mee, wat de duurzaamheid weer beïnvloedt.’ Toch gelooft hij wel in concrete toepassingen, zoals het hergebruiken van gipsplaten. Volgens Paul zit de winst vooral in slimme optimalisaties binnen bestaande processen, in plaats van grootschalige, complexe circulaire systemen.
Daarnaast wijst hij op een breder aspect: ‘We leven nog wel in een maatschappij die sterk gericht is op wegwerpen en vervangen.’ Kleine aanpassingen, zoals lichtere betonconstructies kunnen al bijdragen aan duurzamer bouwen. Voor Paul ligt de toekomst in dit soort praktische verbeteringen.
Volop circulair bouwen in 2030 is nog niet zo vanzelfsprekend. De wil is er en de eerste stappen zijn gezet, maar in de huidige praktijk wordt de ambitie vaak nog in de weg gezeten door kosten, capaciteit en complexiteit. De toekomst van circulair bouwen lijkt dan ook te liggen in bewegingen die ‘hapsnap’-beschikbaar zijn en in een vaste arbeidsgang mee kunnen gaan. Naast de bespoedigende werking van regelgeving geeft dat de grootste kans van slagen.

Stelling 3: Over een paar jaar is er geen goede monteur meer te vinden.
De schaarste aan goede monteurs is een onderwerp dat de afbouwsector blijft bezighouden. Voor Jacco is het antwoord duidelijk: het probleem zit niet zozeer in het aantal mensen, maar in gebrek aan vakmanschap. ‘Er zijn genoeg mensen die willen werken, maar niet genoeg die het écht kunnen,’ stelt hij. Volgens hem vereist vakmanschap, verder denken in het werk en projecten. Een vaardigheid die vraagt om ervaring, opleiding en inzicht, iets wat je niet zomaar opbouwt. Paul herkent het probleem in de stelling zeker. ‘Dan heb je ons nog,’ zegt hij met een knipoog. Ook hij ziet dat het steeds moeilijker wordt om mensen te vinden die echt gemotiveerd zijn. Hij schetst het beeld van jongeren die starten in het vak, investeren in gereedschap, maar dan snel afhaken omdat het werk toch niet bevalt. Hoewel hij denkt dat het wel weer terug komt, dicht hij een grote rol toe aan de gemaks-cultuur waarin we nu leven.
Volgens Jacco lijkt de bereidheid om fysiek werk te doen af te nemen. ‘Wie wil er nog zweten en eelt op de handen krijgen?’ vraagt hij zich hardop af. En dat terwijl het werk in de afbouw juist zo mooi is en vraagt om inzet en doorzettingsvermogen. Daarbovenop komt de planning, druk en strengere regelgeving. Nieuwe eisen rondom kwaliteitsborging, veilig werken, kilometerheffing: volgens Jacco maakt dit het ondernemerschap er niet aantrekkelijker op. Hij vreest zelfs dat middelgrote bedrijven op termijn verdwijnen, omdat de risico’s te groot worden. Ondanks zijn optimistische aard merkt hij dat deze ontwikkelingen hem soms somber stemmen. Toch blijft hij zoeken naar oplossingen, bijvoorbeeld door nieuwe manieren - zoals het opnemen van een promotiefilmpje met een nieuwe leerling monteur - te bedenken om jongeren te enthousiasmeren voor het vak. Elkaar opzoeken ziet hij daarbij als essentieel: ‘Samen staan we sterk om de uitdagingen het hoofd te bieden.’
Paul zoekt zijn oplossing dichter bij huis. Lokale betrokkenheid blijkt volgens hem cruciaal. Jongeren uit de regio, die het vak van dichtbij kennen, blijven vaker hangen. Daarnaast zet hij in op trots en beleving. Door afgeronde projecten samen met monteurs te bezoeken, vooral als het om werken gaat die eruit springen, maakt hij zichtbaar wat er is bereikt. Het vieren van successen en het tonen van vakmanschap zorgen voor meer betrokkenheid. ‘Als er onder tijddruk iets moois is neergezet, daar word ik blij van,’ zegt hij. Aandacht geven aan de gezamenlijke prestatie is volgens hem een belangrijke sleutel om mensen te binden.
Ook Manon ziet de uitdaging groeien, maar benadrukt de waarde van het vak. Volgens haar begint de liefde voor de afbouw vaak al vroeg. ‘Het zit vaak in het bloed,’ ze merkt het al op bij haar eigen kinderen. Tegelijkertijd ziet ze veel kennis verdwijnen met het pensioen van de oudere generatie. Dat maakt het des te belangrijker om nieuwe mensen op te leiden en warm te maken voor het vak. ‘In de volgende generatie waarin alles te vroeg, te koud en te zwaar is, vind ik dit wel echt een uitdaging,’ stelt ze. Toch schuilt ook daarin een kans. Wie als projectleider, uitvoerder of monteur beschikt over technische kennis en praktische vaardigheden, wordt volgens Manon alleen maar waardevoller. ‘Goede vakmensen en specialistische kennis worden goud waard,’ stelt ze. ‘Dat vraagt wel om bewustwording: mensen mogen gaan inzien wat het vak inhoudt en welke kansen het biedt.’
Een tekort aan goede monteurs is niet zwart-wit. De uitdaging ligt niet alleen in het vinden van mensen, maar vooral in het opleiden, enthousiasmeren en behouden ervan. In dat opzicht hangt de toekomst van de afbouw niet alleen af van innovatie of regelgeving, maar misschien wel het meest van de mensen die het werk daadwerkelijk uitvoeren.
Stelling 4: De prijs is altijd doorslaggevend.
De stelling dat prijs altijd het laatste woord heeft in de afbouwsector, krijgt van Manon een genuanceerd antwoord. ‘De prijs is zeker een groot aspect bij een verkoop, maar een sterke relatie doet gelukkig ook nog heel veel.’ Voor Manon gaat het om een gezond spanningsveld waaraan een goede onderbouwing en een goede relatie ten grondslag ligt: prijs versus kwaliteit, kennis en vertrouwen. ‘Als je al een paar keer hebt samengewerkt, gaat een klant eigenlijk altijd in gesprek,’ legt ze uit. Door samen te werken en elkaar scherp te houden, kunnen projecten succesvol worden uitgevoerd zonder dat de goedkoopste optie altijd wint. Tegelijkertijd waakt ze voor wat ze ‘cowboys’ noemt: partijen die zonder voldoende kennis of voorbereiding starten waarvan het werk later rechtgezet moet worden. Daar is uiteindelijk niemand bij gebaat. Paul ziet in de praktijk dat prijs een belangrijke rol speelt, zeker in samenwerking met aannemers, maar waarschuwt voor de gevolgen van te veel besparen. Tijd- en kostendruk leiden volgens hem regelmatig tot kwaliteitsverlies. Voor jongere monteurs kan het demotiverend zijn als ze hun eigen werk weer moeten herstellen door bezuinigingen elders in het project.
Paul ziet de afbouwpartner als de rode lijn in het proces die zorgt voor een gezond evenwicht: kosten beheersen zonder het vakmanschap en de kwaliteit van het werk te ondermijnen. Dat zijn opdrachtgevers een aanbod niet vaak vergelijken op andere aspecten als duurzaamheid of garantie is voor Jacco dagelijkse realiteit. Voor hem geldt dat de prijs nog steeds een belangrijke factor is, vooral op korte termijn. Inflatie en stijgende materiaalkosten maken dat opdrachtgevers scherp blijven op het financiële plaatje. ‘Als de wasmachine stuk is, koop je ook niet meteen de duurdere variant,’ zegt hij nuchter. Toch speelt persoonlijke relatie ook volgens hem minstens zo’n grote rol. Klanten kiezen niet alleen op basis van prijs, maar omdat ze vertrouwen hebben in zijn vakmanschap, de organisatie en de logistiek van zijn bedrijf. Vaste aannemers en terugkerende opdrachtgevers doen zaken met hem vanwege dat goede gevoel, het vertrouwen dat het werk goed wordt uitgevoerd. Jacco zoekt de transparantie op en is ervan overtuigd dat de menselijke kant van afbouwrelaties de komende jaren steeds belangrijker wordt. ‘Ik zie daarin ook de nieuwe generatie opstaan’, stelt hij. De samenwerking opzoeken en het gesprek aangaan zijn voor Jacco sleutels tot succes, vaak belangrijker dan de laagste prijs.
De prijs is dus wel degelijk een factor, maar niet altijd het doorslaggevende criterium. In de praktijk is het een samenspel van factoren. Vooral in een sector die veel met vaste partners werkt, zorgt die wisselwerking ervoor dat projecten soepel verlopen en langdurige samenwerking mogelijk is.
)
)
)
)
)